onderzoek naar vitaminen levert betrouwbare informatie op

onderzoek naar vitaminen levert betrouwbare informatie op

‘Vitaminen kunnen levensduur bekorten’ ‘Supplementen verhogen aantal sterfgevallen’ ‘Antioxidanten weer onder vuur’ 

Wat de kranten aankondigden, was een ‘meta-analyse’ die gepubliceerd is in The Journal of the American Medical Association (JAMA) waarmee men wilde aantonen dat de consumptie van vitamine A, E en C en bètacaroteen (de antioxidanten onder de voedingsstoffen) mogelijk een ‘significante bijdrage levert aan het sterftecijfer’ onder gebruikers van voedingssupplementen, waarbij met ‘significant’ werd bedoeld een toename met 5 procent van het overlijdensrisico. 

Als je deze krantenartikelen en het onderzoek dat ertoe aanzette verwarrend en mogelijk tegenstrijdig vond, ben je niet de enige. Een meta-analyse is een statistische methode om van de resultaten van overeenkomstige studies een overzicht te krijgen dat bedoeld is om het gewicht van het bewijs te laten zien. In theorie kan deze benadering van grote hoeveelheden gegevens nuttig zijn en inzicht geven. In de praktijk heeft juist deze manier van omgang met onderzoek naar voedingssupplementen echter te lijden van vertekening op verschillende niveaus en van verkeerde veronderstellingen. 

De auteurs van deze meta-analyse hebben uit 16.111 eerder gepubliceerde studies over de voordelen van antioxidanten die daarvoor in aanmerking kwamen, er in hun statistische vergelijking slechts 68 van gebruikt en de selectie louter op hun eigen beoordeling gebaseerd. Bij iedere stap in dit proces loopt de onderzoeker het risico op afwijkingen die doorwerken en het eindbeeld vertekenen.

‘Dit was een gebrekkige analyse van gebrekkige gegevens, die weinig doet om inzicht te krijgen in de werkelijke betekenis van antioxidanten voor onze gezondheid’, verklaarde professor Balz Frei, directeur van het Linus Pauling Institute van de Oregon State University, een van ’s werelds toonaangevende onderzoeksinstituten op het gebied van vitaminen en gezondheid. ‘Het totaal van het beschikbare bewijsmateriaal wijst erop dat antioxidanten uit voedsel of supplementen in plaats van schade toe te brengen juist verschillende voordelen hebben, zoals een verminderd risico op hart- en vaatziekten, bepaalde typen van kanker, oogklachten en neurodegeneratieve aandoeningen. Daarnaast vervullen ze een sleutelrol in het verbeteren van het immuunsysteem en de weerstand tegen infecties’ (‘Study Citing Antioxidant Vitamin Risks Based on Flawed Methodology’). 

In een tweede kritische reactie op de JAMA-studie, deze keer afkomstig van artsen die aangesloten waren bij de Alliance for Natural Health in Engeland (gepubliceerd in maart 2007 op www.alliance-natural -health.org, ‘Alliance for Natural Health Critiques JAMA Study’), werd een buitengewoon belangrijk punt naar voren gebracht aangaande de meeste wetenschappelijke studies waarin een poging wordt gedaan de uitwerking van antioxidanten en supplementen in het algemeen te meten: ze maken gebruik van synthetische ingrediënten! ‘Het getuigt van ernstige nalatigheid dat [de auteurs van de JAMA -studie] niet benadrukt hebben dat de onderzoeken waarin deze vitaminen afgeraden worden bijna allemaal zijn uitgevoerd met gebruikmaking van synthetische vormen van vitaminen, die zich in het lichaam opvallend anders gedragen dan de natuurlijke vormen’, schreven de medisch specialisten. ‘In feite zeggen de resultaten absoluut niets over het innemen van deze supplementen in hun natuurlijke vorm, noch over de effecten van het nemen van al deze nutriënten samen, wat de gebruikelijke manier is; de meeste mensen gebruiken namelijk multivitaminen/mineralen.’ 

Het grootste probleem bij de meeste onderzoeken naar supplementen is dat ze bijna volledig uitgaan van de ‘wonderpilbenadering’, die door de farmaceutische industrie in het leven is geroepen en in stand wordt gehouden. Het probleem zit in het idee dat door isolering van een ‘actief’ molecuul of bestanddeel uit een willekeurige verbinding de wetenschap een synthetisch middel kan maken dat dezelfde voordelen biedt als de natuurlijke verbinding. Deze benadering veronderstelt niet alleen dat synthetische moleculen precies zo functioneren als natuurlijke – in dit artikel hebben wij inmiddels aangetoond dat dit een verkeerde veronderstelling is – maar gaat ook voorbij aan de essentiële rol van cofactoren van plantaardige afkomst en de andere voedingsstoffen, die als team samenwerken om de synergie te creëren die de gezondheid ondersteunt. 

Professor Jeffrey Blumberg, voedingsspecialist en directeur van het Antioxidants Laboratory van het Human Nutrition Research Center van de Tufts University in Boston, heeft tijdens zijn onderzoek naar de heilzame werking van vitamine E bij het terugdringen van de atherosclerotische plaque die hartkwalen veroorzaakt, gezien hoe de leugen van de wonderpil werkt. ‘Je kunt je altijd afvragen of de dosis of de vorm [natuurlijk of synthetisch] van vitamine E of de duur van de studie adequaat was voor het constateren van een heilzaam effect’, schreef hij in een verslag uit 2002, getiteld ‘Unraveling the Conflicting Studies on Vitamin E and Heart Disease’. ‘Tevens is het van belang op te merken dat tot op vandaag in geen enkele klinische proef met betrekking tot vitamine E en hartkwalen enige andere antioxidant is meegenomen. Toch is het bekend dat antioxidanten in het voedsel, waaronder vitamine C en E, evenals carotenoïden en flavonoïden, op een synergetische manier samenwerken.’ 

Daarnaast heeft dr. Blumberg er in een interview met CNN in 2007 (‘No scientific evidence diet supplements work’, door Caleb Hellerman) op gewezen dat er meer dan twintigduizend verschillende antioxidanten in onze voeding bekend zijn. ‘Maar er zijn geen twintigduizend pillen die we kunnen innemen. Een van de redenen waarom voedingssupplementen geen vervanging zijn voor gezonde voeding, is dat we niet weten wat er belangrijk is om in een pil te stoppen.’ 

In hetzelfde CNN- programma over voedingssupplementen bracht dr. Andrew Weil een hiermee samenhangend punt naar voren: ‘In broccoli zit een bestanddeel dat sulfurofaan heet en dat van belang is voor het tegengaan van kanker. Ik heb in natuurvoedingswinkels flesjes zien staan met op het etiket een foto van een stronkje broccoli, wat suggereert dat het om broccoli in pilvorm gaat. Maar het is geen broccoli in een pil, het is sulfurofaan in een pil, dat slechts één element is van een onvoorstelbaar complexe plant waarin allerlei verschillende stoffen voorkomen.’ 

Eenzelfde spoor volgde J.J. Challem in een onderzoek uit 1977 in The Journal of Orthomoleculair Medicine, getiteld ‘Beta-

Carotene and Other Carotenoids: Promises, Failures and a New Vision’. Hij herlas andere onderzoeken, waaruit bleek dat bètacaroteensupplementen bij langdurige rokers het risico op longkanker vergrootten en waarschuwde dat het synthetische bètacaroteen dat in de onderzoeken werd gebruikt en natuurlijk bètacaroteen ‘aanzienlijke verschillen vertonen en verschillend reageren’. 

‘Onderzoekers hebben de voor de hand liggende positieve rol van andere carotenoïden en de mogelijkheid dat carotenoïden synergetisch functioneren […] genegeerd’, vervolgde Challem. ‘Het gebruik in klinisch onderzoek van één enkele synthetische carotenoïde weerspiegelt de wonderpilbenadering, terwijl er bewijs is dat nutriënten juist in biochemisch teamverband werken.’ 

In nog een ander onderzoeksartikel in The Journal of Orthomoleculair Medicine, deze keer uit 1998 en van de hand van John Smythies, getiteld ‘Recent Advances in Oxidative Stress and Antioxidants in Medicine’, wordt min of meer uitgebreid het proces uitgelegd waardoor antioxidanten als team kunnen samenwerken om te voorkomen dat de gifstofvrije zuurstofradicalen in ons lichaam ziekten veroorzaken: ‘[…] deze antioxidanten werken synergetisch samen. Wanneer vitamine E […] een toxische ROS [vrije zuurstodradicaal] neutraliseert, wordt hij zelf geoxideerd.’ Vervolgens moet hij weer omgezet worden in vitamine E om een andere ROS aan te pakken. Dit wordt gedaan door vitamine C of glutathion, ‘dat op zijn beurt geoxideerd wordt. De geoxideerde vitamine C wordt weer in zijn beschermende vorm omgezet door NADH, een complex dat ook vitamine B3 bevat.’ 

Onderzoeksverslagen die door dr. Gladys Block en anderen zijn aangeboden aan het American Journal of Clinical Nutrition ondersteunen de bewering dat, omdat antioxidanten als team samenwerken, klinisch onderzoek naar de heilzame werking van supplementen waarin gebruik wordt gemaakt van niet meer dan één of twee antioxidanten slecht zijn opgezet, waardoor ze tot misleidende conclusies kunnen leiden. 

Door de gezondheidsvoordelen van voedingsstoffen te reduceren tot een onderzoek naar individuele moleculen, stelt Michael Pollard, schrijver van de bestseller The Omnivore’s Dilemma, verraden wetenschappelijke onderzoekers dat ze alleen naar nutriënten kijken, wat neerkomt op een soort wetenschappelijk reductionisme. Een dergelijke houding misleidt ons, schrijft Pollan, omdat voorbij wordt gegaan aan ‘complexe interacties en contexten, en aan het feit dat het geheel meer kan zijn dan of kan verschillen van de som der delen’. 

In een weloverwogen artikel voor de New York Times uit 2007, getiteld ‘Unhappy Meals’, ging Pollan in op dit thema: ‘Mensen eten geen voedingsstoffen, ze eten voedsel, en voedsel kan zich heel anders gedragen dan de voedingsstoffen die erin zitten […]. Zodra je deze nuttige moleculen uit de context van het complete voedsel waarin ze aangetroffen worden weghaalt, zoals wij gedaan hebben toen we supplementen met antioxidanten maakten, werken ze helemaal niet meer.’ 

Naast het probleem dat ontstaat als op mensen synthetische in plaats van natuurlijke voedingsstoffen worden getest, vertonen klinische proeven waarin bij mensen metingen worden gedaan naar de effectiviteit van antioxidanten voor het voorkomen en genezen van kwalen nog enkele andere gebreken. Volgens dr. Blocks onderzoeksverslag ‘Are clinical trials really the answer?’ in The American Journal of Clinical Nutrition zaaien de volgende punten twijfel over het belang van veel klinische proeven. 

ο Mensen die voor klinische proeven uitgekozen worden, lopen doorgaans al een grote kans op ziekten vanwege slechte voeding of andere factoren met betrekking tot hun levenswijze. ο In deze proeven worden bij uitzondering meer dan een of twee nutriënten of meer dan één dosis gebruikt. ο De proeven vertellen ons weinig over het voorkomen van chronische ziekten op de lange termijn. ο De resultaten geven geen enkel inzicht in de vraag of nutriënten in hoge doses, indien een leven lang ingenomen, het risico op chronische ziekten vermindert. ο Klinische proeven onthullen evenmin de effecten van verschillende synergetisch werkende combinaties van voedingsstoffen bij de voorkoming van ziekten en kwalen. 

Dan is er nog het probleem van de mate waarin klinische proeven gebaseerd zijn op statistieken met uitsluiting van persoonlijke gevalsbeschrijvingen of medische bijzonderheden, waaruit juist belangrijke patronen naar voren kunnen komen over de manier waarop wij voedingsstoffen opnemen en erop reageren. Dr. Abram Hoffer heeft dit punt naar voren gebracht in een artikel dat hij in 1998 heeft geschreven: ‘Playing with Statistics or Lies, Damn Lies and Statistics’ in The Journal of Orthomoleculair Medicine. Hierin beschrijft hij hoe de dubbelblindmethode die voor klinisch onderzoek wordt gebruikt nooit gevalideerd wordt, in de zin dat deze methode nooit bewezen heeft zo betrouwbaar te zijn dat ‘iedereen met dezelfde methode hetzelfde antwoord krijgt’, zodat je er bij wijze van spreken een centimeter langs kunt leggen. 

Dr. Hoffer vervolgde met te zeggen dat degenen die volkomen vertrouwen op de dubbelblindmethode zich niet altijd tegen persoonlijke gevalsbeschrijvingen verzetten, maar zich wel ‘met geweld verzetten tegen kenmerkende bijzonderheden. Ze willen stukjes informatie verkrijgen met behulp van vergelijkingen in plaats van beschrijvingen In sommige moderne klinische verslagen van therapeutische proeven komt geen patiënt voor, maar louter statistiek, zodat je je gaat afvragen welke diersoort hier is getest.’ 

Met dit in het achterhoofd is het de moeite waard op te merken dat ons doorlopende onderzoek naar vitaminen op het Hippocrates Health Center een belangrijke bijdrage kan leveren aan het antwoord op de vraag waarom natuurlijke voedingsstoffen beter zijn dan synthetische, zoals blijkt uit de duizenden persoonlijke gevalsbeschrijvingen die wij verzameld hebben. Onze benadering komt neer op een klinische proef van vijf decennia die individuele ervaringen van gebruikers van supplementen omvat (in plaats van uitsluit). Deze gevallen laten ons een belangrijk patroon zien en vertellen ons verhelderende verhalen die statistiek alleen ons niet kan bieden. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *